© van Zon Internet
 
HOME   REFERENTIES   CERTIFICERING   LINKS   VACATURES   DOWNLOADS   CONTACT
Bodemonderzoek grond

Waarom bodemonderzoek?
De redenen waarbij het noodzakelijk is om iets over de kwaliteit van de grond te willen weten zijn bijvoorbeeld de aan- of verkoop van een woning (grondtransactie) of het bouwen van een woning (bouwaanvraag). In beide gevallen wordt bodemonderzoek uitgevoerd, in verband met het bepalen van de risico’s voor de gezondheid.

Aan en verkoop van een pand
Bij de aanschaf van een woning wordt veelal niet gedacht aan de bodemkwaliteit van het perceel. De criteria of de locatie, de staat van het pand en de ruimte voldoet aan de wensen van de nieuwe bewoners zijn meestal doorslaggevend. In het koopcontract (modelcontract van de Vereniging Eigen Huis en de NVM) is een stukje opgenomen over de mogelijke aanwezigheid van ondergrondse tanks en bodemverontreiniging (bodemclausule). De particulier is meestal niet goed op de hoogte of dit het geval is (ook de verkoper niet). Daarnaast zijn veel mensen zich niet bewust van de gevolgen en consequenties indien er verontreiniging op een perceel aanwezig is. Volgens het Burgerlijk Wetboek hebben verkoper en koper een zogenoemde onderzoeks- en informatieplicht. Een koper is verplicht uit te zoeken of er verontreiniging is en een verkoper is verplicht om de koper te informeren als verontreiniging aanwezig is.

Bouwaanvraag
Bij het doen van een bouwaanvraag is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de grond bekend is. In de Woningwet is vastgelegd dat er niet op verontreinigde grond mag worden gebouwd. Landelijk gezien is het verplicht om een onderzoek conform de NEN 5740 ‘Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek’ (inclusief historisch vooronderzoek conform de NEN 5725 ‘Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek’) te laten uitvoeren. In het onderzoeksrapport wordt een advies gegeven, dit wordt ook wel aangeduid met geschiktheidsverklaring.

Aanleiding bodemonderzoek
Een onderzoek naar bodemverontreiniging begint met het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. In het verleden, en soms ook nu nog, werd een dergelijk onderzoek ook wel aangeduid als oriënterend bodemonderzoek. De aanleiding voor het uitvoeren van het verkennende bodemonderzoek kan divers zijn, maar de doelstelling is altijd dezelfde: het aantonen van de aan- of afwezigheid van bodemverontreiniging op een locatie. Onderzoeken van gelijke strekking zijn de nulsituatie-onderzoeken, die worden uitgevoerd bij een vergunningaanvraag in het kader van de Wet milieubeheer (Wm).

(Historisch) vooronderzoek
Een verkennend bodemonderzoek wordt standaard uitgevoerd op basis van de NEN 5740. Voordat het verkennend onderzoek wordt uitgevoerd, is het verplicht eerst een (historisch) vooronderzoek uit te voeren volgens de NEN 5725, gecombineerd met een vooronderzoek naar asbest volgens de NEN 5707 ‘Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem’, indien daartoe aanleiding bestaat. In het vooronderzoek wordt onder andere in archieven informatie verzameld over het vroegere, het huidige en eventueel (bij nulsituatie-onderzoek) het toekomstige gebruik van een locatie en over de bodemopbouw en de geohydrologische situatie. Op basis van deze informatie wordt de locatie zo nodig onderverdeeld in deellocaties met individuele onderzoekshypotheses. Deze hypotheses zijn opgebouwd uit aannames over de aan- of afwezigheid van verontreinigingen in grond en/of grondwater, de aard van de mogelijk aanwezige verontreiniging en de ruimtelijke verdeling ervan over de deellocaties.
Van belang is hierbij ook de mogelijke aanwezigheid van asbest op de locatie. Om dit te bepalen wordt behalve archiefonderzoek ook een terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden uitgevoerd. Tijdens deze inspectie wordt bepaald of asbestverdacht materiaal aanwezig is in bebouwing op of rond de onderzoekslocatie. Vervolgens wordt het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Ook wordt vastgesteld of er een puinverharding of puinhoudende grond op de locatie aanwezig is, dat asbest zou kunnen bevatten. Tevens is het van belang om in dit stadium bij de gemeente te informeren of er ter plaatse sprake kan zijn van verhoogde achtergrondgehalten (bodemkwaliteitskaart).

Onderzoeksstrategie verkennend bodemonderzoek
De kern van de onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek conform NEN 5740 en de NEN 5707 is dat per deellocatie een strategie wordt opgesteld, die gericht is op het toetsen van de hypotheses die op basis van het vooronderzoek zijn opgesteld. De onderzoeksstrategie betreft het vaststellen van het aantal te nemen monsters, de plaatsen waar deze worden genomen en de stoffen waarvan de concentratie in de monsters moet worden bepaald.
Indien noodzakelijk, op basis van het uitgevoerde vooronderzoek of de terreininspectie, wordt de bodem ook visueel en zo nodig microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van asbest conform de NEN 5707.

De onderzoekshypothese wordt na confrontatie met de resultaten van het onderzoek aanvaard of verworpen. Eventueel wordt de onderzoekshypothese, zo nodig na aanvullend vooronderzoek, bijgesteld of wordt de onderzoeksstrategie aangepast. Het verkennend onderzoek wordt afgesloten met een rapportage van de onderzoeksgegevens en -resultaten, de conclusies en de eventuele aanbevelingen voor het vervolgonderzoek.

In juni 2006 is het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer in werking getreden, gevolgd door de Regeling uitvoeringskwaliteit bodembeheer in 2007. Deze regelgeving beoogt de kwaliteit van bodembeheer te verbeteren. Aan diverse binnen de regeling genoemde activiteiten worden kwaliteitseisen gesteld. Bodemintermediairs mogen de betreffende activiteiten alleen uitvoeren als ze daarvoor door het ministerie van VROM en V&W zijn erkend (senternovem.nl).

Beoordeling en vervolgonderzoek
Uit de resultaten van een verkennend onderzoek moet antwoord worden verkregen op de vraag of er indicaties zijn voor de aanwezigheid van ernstige bodemverontreiniging en of daarbij sprake is van een zogenaamde historische verontreiniging (ontstaan vóór 1 januari 1987).
In principe kunnen zich daarbij vier situaties voordoen:
  1. Er is geen verontreiniging op de onderzoekslocatie aanwezig. Dit wil zeggen dat de gehalten aan geanalyseerde stoffen allemaal onder de streefwaarde liggen, dan wel ten hoogste gelijk zijn aan de achtergrondwaarden van het gebied waarbinnen de locatie is gelegen;
  2. In één of meerdere monsters overschrijden de gehalten aan geanalyseerde stoffen het streefwaarde of achtergrondwaarde niveau van de betreffende stoffen, maar ze overschrijden niet de toetsingswaarde voor nader bodemonderzoek ((S+I)/2 met S=streefwaarde en I=interventiewaarde);
  3. In één of meerdere (meng)monsters overschrijden de aangetroffen gehalten de toetsingswaarde voor nader onderzoek, maar de gehalten liggen onder de voor dit gebied vastgestelde achtergrondwaarden;
  4. In één of meer (meng)monsters overschrijden de aangetroffen gehalten de toetsingswaarde voor nader onderzoek of de interventiewaarde én de gehalten liggen boven de voor dit gebied vastgestelde achtergrondwaarden.

In het eerste geval is geen verder bodemonderzoek noodzakelijk.
In het tweede geval is sprake van een lichte verontreiniging, waarbij geen nader onderzoek noodzakelijk is. Slechts in incidentele situaties kunnen gebruiksbeperkingen gewenst zijn.
In het derde geval is geen sprake van een verontreiniging waarvoor een nader bodemonderzoek noodzakelijk is, mits de betreffende achtergrondwaarden bestuurlijk zijn vastgesteld.
In het vierde geval is een nader bodemonderzoek noodzakelijk om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van een geval van ernstige verontreiniging in termen van de Wbb. Het nader bodemonderzoek moet inzicht geven in de aard en omvang van de verontreiniging en de mogelijke risico’s daarvan.

Geldigheid van het bodemonderzoek
De geldigheid van het bodemonderzoek wordt doorgaans gesteld op vijf jaar, gerekend vanaf de verschijningsdatum van het bodemonderzoeksrapport.

In bepaalde situaties moet echter met een kortere geldigheidsduur worden gerekend. Dit is uiteindelijk ter beoordeling van het bevoegd gezag. In onderstaande tabel is een richtlijn weergegeven voor de geldigheidsduur van bodemonderzoek voor situatie waarbij geen wezenlijke verandering is opgetreden in bodemsamenstelling en -gebruik.

Tabel 1: Richtlijn geldigheidsduur bodemonderzoek

  Bodemkwaliteit
Gebruiksfunctie
 
Landelijk en
stedelijk gebied
Bedrijfs-terreinen
  Schoon
5 jaar
3 jaar
  Diffuus verontreinigd (grond en/of water)
5 jaar
3 jaar
  Locale bodemverontreiniging (niet mobiel)
5 jaar
5 jaar
  Verontreiniging met mobiele en/of vluchtige
  verbindingen
2 jaar
2 jaar
  Locale grondwaterverontreiniging
2 jaar
2 jaar

 

Onderzoek naar asbest
Al bij het verkennend bodemonderzoek moet expliciet worden ingegaan op de vraag of er wel of niet asbest op de onderzoekslocatie aanwezig is of zou kunnen zijn. In het onderzoeksrapport moet worden gemotiveerd op grond van welke informatie en/of onderzoeken men deze conclusie trekt.

Het bevoegd gezag toetst, bij de beoordeling van het verkennend bodemonderzoek of het nader onderzoek (in geval van een vervolgfase), specifiek of de aanwezigheid van asbest door middel van een gedegen vooronderzoek en eventueel vervolgonderzoek aan de orde is gekomen. Dit verklaart het belang van een gedegen vooronderzoek. Het vooronderzoek moet voldoen aan de NEN 5725, aangevuld met het asbestvooronderzoek zoals beschreven in de NEN 5707.

Bij een verkennend bodemonderzoek op asbest-onverdachte locaties wordt de NEN 5740 gevolgd, waarbij in het veld en bij het uitvoeren van de boringen wel gelet moet worden op de aanwezigheid van asbest op of in de bodem.

Bij een verkennend bodemonderzoek op asbestverdachte locaties moet naast de NEN 5740 aanvullend gewerkt worden conform de NEN 5707.

Verontreinigd en dan?
Als op basis van een verkennend onderzoek het vermoeden bestaat, dat het gaat om een geval van ernstige verontreiniging, zullen we de eigenaar adviseren een nader bodemonderzoek uit te laten voeren.
Dit nader onderzoek kan op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten,
inrichtingsveranderingen, verkoop, e.d.) plaatsvinden.


Highslide JS
Zintuiglijk afwijkende bodemlaag
Highslide JS
Grondonderzoek
in uitvoering
Highslide JS
Beoordeling bodemprofiel
m.b.v. zuigerboor
Highslide JS
Zintuiglijke beoordeling
opgeboorde grond m.b.v. olie/waterpan